Grammatica

Hier vind je de CEVO minimumlijst met grammaticale can-do’s voor het eindexamen Latijn.

Snel naar

Deel 1: Vormleer

1. Zelfstandige naamwoorden
  • Je kunt met behulp van een woordenboek de groep bepalen van een zelfstandig naamwoord.
  • Je kunt naamval en getal benoemen van een zelfstandig naamwoord van:
    • a–stammen (groep 1, genitivus op -ae)
    • o–stammen (groep 2, genitivus op -i)
    • medeklinkerstammen (groep 3, genitivus op -is)
    • u–stammen (groep 4, genitivus op -us)
    • e–stammen (groep 5, genitivus op -ei)
  • Je de vormen herkennen en benoemen van: vis, Iuppiter, domus.
  • Je kent de betekenis van de locativi: domi, Romae.
  • Je kent de volgende geslachtsregels:
    • woorden op -um van groep 2 zijn onzijdig
    • woorden op -or van groep 3 zijn mannelijk
    • woorden op –tas, –io en -x van groep 3 zijn vrouwelijk
    • woorden op –us en –men van groep 3 zijn onzijdig
  • Je kunt een vocativus herkennen en vertalen, inclusief het type fili.
2. Bijvoeglijke naamwoorden
  • Je kunt met behulp van een woordenboek de groep bepalen van een bijvoeglijk naamwoord.
  • Je kunt naamval, getal en geslacht benoemen van een bijvoeglijk naamwoord van:
    • o- / a–stammen (groep 2,1,2)
    • medeklinkerstammen van drie, twee en één uitgang
  • Je kunt herkennen en vertalen: de vergrotende trap op -ior en -ius
  • Je kunt herkennen en vertalen: de overtreffende trap op -issimus en -errimus
  • Je kunt herkennen en vertalen: de vergrotende en de overtreffende trap van bonus, malus, magnus, parvus en multus
3. Bijwoorden
  • Je kunt herkennen en vertalen: bijwoorden op -e en -iter
  • Je kunt herkennen en vertalen: de vergrotende trap van een bijwoord op -ius
  • Je kunt herkennen en vertalen: de overtreffende trap van een bijwoord op -e
4. Telwoorden
  • Je kunt herkennen en vertalen: de vormen van unus, duo en tres.
5. Voornaamwoorden
  • Je kunt herkennen, benoemen en vertalen de vormen van:
    • de persoonlijke voornaamwoorden ego, tu, se, nos, vos, se
    • de bezittelijke voornaamwoorden meus, tuus, suus, noster, vester, suus
    • het aanwijzende voornaamwoord is
    • de aanwijzende voornaamwoorden ille, iste, hic
    • ipse en idem
    • het betrekkelijke voornaamwoord qui
    • het vragende voornaamwoord quis / qui
    • de onbepaalde voornaamwoorden (ali)quis, quisque
    • solus, totus, ullus, nullus, alter, alius, uter, neuter en uterque
    • nemo en nihil
6. Werkwoorden
  • Je kunt herkennen en vertalen: de drie rijtjes persoonsuitgangen.
  • Je kunt de praesensstam, de perfectumstam en het ppp bepalen van de werkwoorden op:
    • o / are
    • eo / ere
    • io / ire
    • o / -ere (medeklinkerstammen)
  • Je kunt in een woordenboek herkennen: een deponens.
  • Je kunt uitleggen wat de volgende termen betekenen: actief, passief en (semi)deponens.
  • Je kunt de volgende modi herkennen en vertalen: indicativus, coniunctivus en imperativus.
  • Je kunt de volgende tijden herkennen en vertalen: praesens, imperfectum, futurum, perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum.
  • Je kunt de volgende vormen herkennen en vertalen:
    • de infinitivus praesens actief, praesens passief, futurum actief, perfectum actief, perfectum passief
    • het participium praesens actief, futurum actief, perfectum passief
    • het gerundium
    • het gerundivum
  • Je kunt herkennen en vertalen vormen van de onregelmatige werkwoorden:
    • velle, nolle, malle
    • esse, posse, fieri
    • ire en ferre, inclusief de samenstellingen met voorzetsels
    • de onvolledige werkwoorden: memini en odi
    • de semi-deponentia audere, gaudere en solere
    • de vormen: inquit en ait

Deel 2: Syntaxis

1. Congruentie
  • Je kunt uitleggen wat het begrip 'congruentie' betekent.
  • Je kunt uitleggen wat de congruentieregels zijn met betrekking tot:
    • onderwerp - persoonsvorm
    • onderwerp - naamwoordelijk deel van het gezegde
    • bijstelling
    • bijvoeglijke naamwoorden - zelfstandige naamwoorden
    • voornaamwoorden - zelfstandige naamwoorden
    • antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord
    • bijvoeglijke bepaling
    • predicatieve bepaling.
2. Functies van naamvallen
  • Je kunt de functies van de nominativus toepassen in een ongeziene tekst: onderwerp, naamwoordelijk deel van het gezegde.
  • Je kunt de functies van de genitivus toepassen in een ongeziene tekst: bijvoeglijke bepaling die een bezitter of eigenschap uitdrukt, genitivus partitivus, genitivus obiectivus, als aanvulling bij werkwoorden (inclusief esse), als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden, causa en gratia met genitivus.
  • Je kunt de functies van de dativus toepassen in een ongeziene tekst: meewerkend voorwerp, de handelende persoon bij het gerundivum, de bezitter bij het werkwoord esse, als aanvulling die een doel uitdrukt bij werkwoorden, als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden.
  • Je kunt de functies van de accusativus toepassen in een ongeziene tekst: lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling van richting, tijdsduur en afstand al dan niet na een voorzetsel, als aanvulling bij werkwoorden met een dubbele accusativus, als onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde in de a.c.i. en a.c.p.
  • Je kunt de functies van de ablativus toepassen in een ongeziene tekst: bijwoordelijke bepaling van plaats, tijd, middel, reden, wijze, maat en vergelijking (al dan niet na een voorzetsel), als aanvulling bij werkwoorden, als aanvulling bij bijvoeglijke naamwoorden, in de ablativus absolutus constructie.
  • Je kunt de functies van de vocativus toepassen in een ongeziene tekst: aanspreekvorm.
3. Bijvoeglijke naamwoorden
  • Je kunt onderscheid maken tussen bijvoeglijk en zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden.
  • Je kunt een vergrotende trap herkennen en vertalen, inclusief de betekenissen tamelijk en te.
  • Je kunt herkennen en vertalen: quam / de ablativus van vergelijking na een vergrotende trap.
  • Je kunt een overtreffende trap herkennen en vertalen: de betekenissen -ste en zeer.
  • Je kunt herkennen en vertalen: quam met een overtreffende trap: zo ... mogelijk.
4. Voornaamwoorden
  • Je kunt onderscheid maken tussen bijvoeglijk en zelfstandig gebruikte voornaamwoorden.
  • Je kunt herkennen en vertalen: een (ingesloten) antecedent van een betrekkelijke bijzin.
  • Je kunt herkennen en vertalen: een relatieve aansluiting.
5. Werkwoorden (Syntaxis)
  • Je kunt uitleggen wat de begrippen overgankelijk / transitief en onovergankelijk / intransitief betekenen.
  • Je kunt uitleggen wat de begrippen directe en indirecte rede betekenen.
  • Je kunt vertalen: de vraagpartikels num, nonne, -ne en utrum / -ne ... an.
  • Je kunt de verschillende tijden herkennen of vertalen.
  • Je kunt uitleggen wat een praesens historicum is; in een ongeziene tekst kun je het herkennen en vertalen.
  • Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen het imperfectum voor beschrijving van de achtergrond en het perfectum voor beschrijving van een gebeurtenis.
  • Je kunt de volgende betekenissen van de *coniunctivus* herkennen en vertalen:
    • in hoofdzinnen: aansporing, verbod, twijfel, vervulbare en onvervulbare wens, mogelijkheid.
    • irrealis van heden en verleden.
    • in bijzinnen: mogelijkheid, irrealis van heden en verleden.
    • in betrekkelijke bijzinnen, alleen doelaangevend en definiërend.
    • in een indirecte vraag.
    • na de voegwoorden cum, ut en ne.
    • in de indirecte rede met uitzondering van de coniunctivus die een bevel uitdrukt.
  • Je kunt een *infinitivus* herkennen en vertalen:
    • Je kunt uitleggen wat de begrippen gelijktijdig(heid), voortijdig(heid) en natijdig(heid) betekenen.
    • Je kunt onderscheid maken tussen een subjectsinfinitivus en een objectsinfinitivus.
    • Je kunt herkennen en vertalen: een a.c.i. en een n.c.i..
  • Je kunt een *participium* herkennen en vertalen:
    • Je kunt uitleggen wat de begrippen gelijktijdig(heid), voortijdig(heid) en natijdig(heid) betekenen.
    • Je kunt onderscheid maken tussen bijvoeglijk, zelfstandig en praedicatief gebruikte participia.
    • Je kunt uitleggen wat een verbonden participium is.
    • Je kunt een [ablativus absolutus](ablativus-absolutus/) herkennen en vertalen.
    • Je kunt een a.c.p. herkennen en vertalen.
    • Je kunt een participium futurum actief herkennen en vertalen met doelaangevende betekenis.
    • Je kunt een participium futurum actief in combinatie met vormen van esse herkennen en vertalen als een omschrijvend futurum.
  • Je kunt een *gerundium / gerundivum* herkennen en letterlijk vertalen:
    • het gerundivum als naamwoordelijk deel van het gezegde als gerundivum van verplichting, inclusief de vertaling kunnen en mogen.
    • het dominant gebruik van het gerundivum, namelijk in de zgn. gerundivumconstructie.

Table of contents


This site uses Just the Docs, a documentation theme for Jekyll.